Bel me op: 030-6701184

Over een wethouder

Ik heb de afgelopen maanden regelmatig het genoegen gehad te kunnen communiceren met de gemeentelijke top. De wethouder voor Leidsche Rijn is inmiddels zo’n bekend gezicht geworden dat ze mij Jan mag noemen en ik haar Annemiek.

Nou geeft Annemiek Rijckenberg mij altijd een beeld van iemand die stomtoevallig op de stoel van de wethouder is terechtgekomen. Ze kan een ruimte binnenkomen met zo’n blik van ‘ik ben vast fout maar op het podium is nog een stoel vrij, laat ik daar maar gaan zitten.’ Daar kijkt ze rond met van die verbaasde ogen, alsof ze denkt ‘wie ben ik dat ik dit mag doen.’ Ik heb dan de neiging op te staan en haar te vragen: ‘weet je wel zeker dat je hier vanavond moet zijn?’ Dit is vreemd want ze staat als spreker gemeld.

Als ze spreekt ervaar ik medelijden. Ze is de vleesgeworden onschuld. Een volstrekt legitieme vraag wordt, aan haar gesteld, een soort van persoonlijke aanval. Haar wenkbrauw, meestal de linker, verheft zich en de ogen lijken wat te breken. Soms wacht ik op een traan en ik weet, dat als dit ooit mocht geschieden, ik mijn vraag terstond intrek en verontschuldigingen aanbiedt. Ook nu, zonder de tranen, merk ik dat een pittige vraag, niet zonder horten of stoten over mijn lippen komt. Zo halfweg ontmoeten onze ogen elkaar en merk ik dat ik haar kwets. Ze heeft de vraag half gehoord maar laat in lichaamstaal weten dat deze, misschien mild bedoeld, toch als aanval wordt gezien. Haar schouders buigen zich, het voorhoofd krijgt een frons, de pen wordt gepakt, er wordt driftig gekrabbeld, ze blikt schuin naar boven, slikt en lijkt weg te wiegen als in een droommoment.

Haar antwoord is meestal uitgebreid, wat zoekend naar woorden, alsof ze pas op dat moment voor het eerst echt ervaart met welke klus zij bezig is. De toon is licht verdedigend, maar een eventuele beschuldiging wordt deskundig onder de tafel gepoetst. Het duurt wat voordat je het antwoord hebt begrepen want eerst moet je door die omvangrijke lichaamstaal heen die zegt, ‘dit is gemeen wat je nu vraagt aan zo’n zwakke, kwetsbare vrouw als ik, zie je niet dat ik bijna moet huilen.’ Aangezien ik altijd eerst deze taal moet verwerken voordat ik aan de inhoud toe ben, neem ik tegenwoordig vaak een bandrecordertje mee, daarop hoor je alleen de stem en zie je niet de mens. Thuis merk ik vervolgens dat ik op geen vraag antwoord gekregen heb of dat ik het bos ben in gestuurd.

Voortaan draag ik dus een donkere zonnebril in haar omgeving, ik zal mijn ogen sluiten en luisteren, niet gehinderd door lichaamstaal of ander visuele bagage. Een best mens hoor onze Annemiek maar een vraag blijft toch bij mij hangen: zou ze het nou echt naar haar zin hebben als wethouder?